'We dreigen te vervreemden van elkaar, in de behandelkamer is dat niet anders’

Interview met Dirk de Wachter

22 juli 2021
 

Dirk de Wachter

Op 13 oktober vindt het RINO Groep congres De mens in ‘de behandelkamer’ met Dirk de Wachter plaats, dat vanwege corona online zal plaatsvinden. Psycholoog, auteur en journalist Vittorio Busato sprak met hem.

Het menselijke contact dreigt door allerlei wetenschappelijke inzichten en technologische doorbraken naar de achtergrond te geraken, zegt de Antwerpse psychiater-psychotherapeut Dirk de Wachter tijdens een Zoom-interview. De Wachter, die ook als hoogleraar Systeem- en Gezinstherapie verbonden is aan de Katholieke Universiteit Leuven en daar tevens kliniekhoofd is in het ziekenhuis, is van mening dat de beroepsgroep het directe contact van mens tot mens moet bewaken. ‘De verwetenschappelijking in ons vak is enerzijds een goede zaak, maar die dreigt de diagnostiek voorop te stellen. Mijn bekommernis is om altijd weer de mens voor de diagnose te zetten. Je ontmoet een mens, geen depressie.’

Daarmee benadrukt hij het alledaagse begrip van menselijkheid, van de doodgewone dingen, wil De Wachter maar zeggen. ‘Dat is voor ons als therapeuten van belang: we moeten kijken naar de goede dingen die mensen nog hebben, naar hun talenten en mogelijkheden, niet alleen naar de problemen. In een medische opleiding bestaat sterk de neiging te vragen naar wat er mis loopt, en al die dingen op te lijsten. Maar we lijken te vergeten dat de mens ook mogelijkheden, krachten en coping-strategieën heeft. Het gaat om het individuele verhaal, de unieke casus. Die is nooit terug te brengen tot diagnostische en af te vinken schema’s.’

Is het begrip menselijkheid in de behandelkamer te veel gaan verschillen van de menselijkheid in het alledaagse leven?

‘Neen. De behandelkamer verschilt niet zoveel van het dagelijkse leven. Ook in het dagelijkse leven moet erg worden gewaakt op de menselijkheid. Corona maakt eens te meer duidelijk hoe belangrijk het is elkaar in het echt te zien, om tijd voor elkaar te nemen, ons rustig een beetje te verliezen. We dreigen te vervreemden van elkaar, in de behandelkamer is dat niet anders dan in het dagelijks leven.’
 

Bent u door corona zelf meer online gaan behandelen?

‘Ik heb voor mijn eigen praktijk patiënten uitgenodigd te blijven komen. Met alle noodzakelijke hygiënische maatregelen zoals open raam, afstand, mondmasker, handen wassen. En iedereen kwam, zonder één enkele uitzondering. Dat illustreert bij uitstek weer die behoefte aan menselijk contact. Overigens heb ik wel enkele consultaties in het ziekenhuis online gedaan, ook omdat ik zag hoe vertrouwd de jongere garde is met het schermgebeuren. Occasioneel vond ik het wel ok. Maar ik heb voor mezelf ondervonden dat het wezen van de consultatie toch in de life sessies zit. Het andere is altijd plan B.’
 

Als therapeut leid je ook veel af aan iemands non-verbale expressie. Dat gaat moeilijker met een mondmasker. Hoe bent u daarmee omgegaan?

‘Wat altijd helpt, is dingen benoemen. “Zie ons hier nu zitten, hoe lastig is ons mondmasker!” Het benoemen van elkaars ambetantigheid, van onprettige gevoelens zorgt al voor een glimlach achter onze maskers. Maar iedereen kwam dus desondanks, dat is me heel erg opgevallen.’

'In de meest extreme gevallen van verliefdheid zal je een therapie moeten stoppen, want dan kun je als therapeut niet meer gezond functioneren’

Dirk de Wachter

In hoeverre mag je als behandelaar tegenover je patiënt je eigen emoties delen of benoemen?

‘Het is heel belangrijk om eigen emoties te onderkennen en daarvan ook bewust te zijn. Dat bevordert het therapieproces. In alle onbescheidenheid heb ik het gevoel dat ik daarin mijn houding heb gevonden. Dat is zeer zeker ook levenservaring. Maar ons werk als therapeut brengt nu eenmaal onze eigen gevoelens enorm naar boven. Als het goed zit, dan kun je daar iets mee en leer je jezelf beter kennen. En als het minder goed zit, dan loop je daar tegenaan. Wat ook weer een manifestatie is van je eigen menselijkheid in de behandelkamer.’

Kunt u een voorbeeld geven hoe u uw eigen emoties benoemt of deelt?

‘Als gezinstherapeut durf ik wel tegen patiënten te zeggen dat ik kinderen heb. Dat werkt vaak heel verbindend. Dan zien ze me ook als mens van vlees en bloed wiens kinderen eveneens lastig konden zijn in de pubertijd of mij weleens de wenkbrauwen deden fronzen. Of ik vertel dat mijn kinderen een potentiële partner mee naar huis brachten en ik daar zo mijn bedenkingen bij had. U lacht, dat doen mijn patiënten ook. Maar zulke openbaringen zijn toch zo herkenbaar menselijk.’


Heeft u wellicht nog een iets meer schurend voorbeeld?

‘Een patiënt die u heel erg ergert, van wie u boos wordt. Dat kan te maken hebben met je eigen ervaring en geschiedenis, waarbij je bijvoorbeeld moet denken aan je eigen vader die ook heel streng was. Het is belangrijk zoiets te beseffen, om de oorsprong ervan te weten, en om dat eventueel in intervisie of supervisie te bespreken. Uiteindelijk moet je er iets constructiefs mee doen in het therapeutische gesprek met de patiënt. Uiteraard niet in tegenoverdrachtelijke zin door boos te worden of weg te lopen, noch door het omgekeerde te doen en je ongeloofwaardig vriendelijk op te stellen. Onderkennen van die gevoelens en daar iets constructiefs mee doen, daar gaat het om.’


En wanneer is dat onderkennen ethisch niet meer verantwoord?

‘Ik was promotor van Lara Vesentini. Zij heeft onlangs aan de Universiteit Brussel een bijzonder interessant doctoraatonderzoek afgerond over verliefdheidsgevoelens van de therapeut naar de patiënt. Daar kwam onder meer uit dat je moet onderkennen dat zulke gevoelens bestaan. Doe je dat niet, dan loopt de therapie in de soep. Therapeuten moeten zich dus bewust zijn dat zulke gevoelens zich kunnen aandienen en dat je die dan moet proberen te hanteren, en liefst ook in supervisie en intervisie op een therapeutisch en ethisch verantwoorde manier moet bespreken. En in de meest extreme gevallen van verliefdheid zal je een therapie moeten stoppen, want dan kun je als therapeut niet meer gezond functioneren.’


De vorige keer dat ik u voor de RINO Groep interviewde, bijna twee jaar geleden in uw werkkamer thuis, benadrukte u het belang van lichamelijkheid. U zei onder meer: ‘Psychomotore therapeuten en muziektherapeuten bij wie die lichamelijkheid vanzelfsprekender is, doen soms zeer baanbrekend werk, blijkt uit onderzoek. Ik weet het niet goed, in elk geval is het belangrijk de vraag over lichamelijkheid te blijven stellen.’ Bent u door corona die vraag anders gaan beantwoorden?

‘Lichamelijkheid vind ik nog altijd even belangrijk. Geen hand geven is nog zo’n groot nadeel door corona dat ik bespreek. Ik ben zelf een gereserveerd mens, van karakter en in het algemeen, maar ook in mijn therapie. Ik ben niet iemand die bij wijze van spreken iemand op de schoot zal nemen, ben ook geen groot knuffelaar. Maar bij patiënten met groot verdriet vind ik lichamelijke signalen als een zakdoekje aanbieden, een schouderklopje geven of bij het weggaan een zeer nadrukkelijke handdruk die meer is dan een formele handdruk toch wel heel belangrijk. Dat zulke kleine, subtiele signalen door corona niet kunnen, ervaar ik als groot tekort. Menselijkheid in de behandelkamer heeft zeer zeker ook met fysiek te maken.’

'We dreigen in Europa te gaan naar een samenleving van winners en losers, van haves en have nots'

Dirk de Wachter

‘Ongeluk en verdriet verbinden, verdiepen, maken het leven rijker, geven het meer zin en betekenis’, zei u eveneens in dat interview. ‘De zin van het bestaan zit in de zorg voor andermans geluk.’ Is die observatie sterker voor u geworden door corona?

‘Sterker, sterker, ik zie vooral een bevestiging. Wat is er maatschappelijk cruciaal in lastige tijden? De zorg en het onderwijs. Maar juist die twee sectoren zijn de laatste jaren stiefmoederlijk behandeld als het bijvoorbeeld gaat over beloning en waardering. Ik vrees dat het geheugen van de mens kort zal zijn. Als straks de economische achteruitgang weer moeten worden ingehaald, dan zullen de onderhandelingen voor zorg en onderwijs weer niet erg florissant zijn.’

Terug naar af, naar het ‘oude normaal’?

'Corona brengt volgens mij niets nieuws. Wat corona doet, is een vliegwiel creëren. Daarbij worden fenomenen versterkt die voordien reeds aanwezig waren. En wat was er voordien reeds aanwezig? Een verharding van de maatschappij. Of, laat ik het zo uitdrukken, een vermindering van de barmhartigheid. De zwakkeren in de samenleving worden minder ondersteund. We dreigen in Europa te gaan naar een samenleving van winners en losers, van haves en have nots. We dreigen een middenklasse te verliezen die altijd het succes is geweest van het Europese model. In plaats daarvan dient een Amerikaans model van een gespleten samenleving zich aan. De solidariteit staat onder grote druk, en corona brengt dat in een stroomversnelling. Op dat gevaar zal ik blijven wijzen.’

U gaat op het aanstaande RINO Groep congres onder meer in op hoe lijden in niet-professionele middens een plek kan krijgen. Is dat niet vooral ook een taak voor het onderwijs? ‘Natuurlijk! Maar het is vooral een taak voor gezinnen. De opvoeding van kinderen speelt zich op de eerste plaats niet af in de klas, maar thuis in het gezin. Dat heeft te maken met een mentaliteit, met thuis spreken met uw kinderen. Kinderen moeten ook weerbaar gemaakt worden tegen lastige dingen. Opvoeden is niet het ultieme succes als levensdoel voorstellen, maar kinderen leren dat verdriet en lijden bij het leven horen, hen leren ook de minder mooie kanten van het leven te omarmen.’


Zou een vak als ‘Leren lijden’, als een soort tegenhanger van volwassen managementcursussen als ‘Leren leiden’, zin hebben op school?

‘Ik weet niet of het een vak moet zijn. Leren lijden zou eerder verweven moeten zijn in alle vakken, en vooral ook op de speelplaats. Het zou een basishouding moeten zijn. Psychotherapeuten kunnen daar overigens aan bijdragen door zich erover uit te spreken, door verbinding te maken juist ook met het onderwijs. De schotten tussen de verschillende terreinen moeten we temperen.’


Op het congres gaat u ook in op de rol van de therapeut in het maatschappelijke debat. U laat zich daarin graag horen. Toch zal niet iedere psychotherapeut zich daarbij even senang voelen.

‘Vanzelfsprekend wil ik therapeuten niet verplichten de politiek in te gaan, dat doe ik zelf evenmin. Maar ik vind wel dat de sector veel te braaf is. Wij zitten elke dag in dat menselijk leed. Wij werken met die mensen die uit de boot vallen, die niet meer kunnen. En dat heeft niet alleen met hun hersenweefsel te maken, maar ook met de hele maatschappelijke context. Onze sector spreekt zich daar naar mijn idee te weinig over uit. En tja, sommigen zullen zeggen: “laat me gerust, ik doe mijn werk in de behandelkamer, de rest is niet mijn taak”. Dat kan ik me prima voorstellen, dat zei ik voor mijn boek Borderline Times aanvankelijk ook. Maar door dat boek is mijn aanwezigheid in het publieke debat onbedoeld ontploft. Met voor- en nadelen.’

'Spreek, therapeuten, wees de advocaat van de zwakkeren'

Dirk de Wachter

Vindt u het een plicht dat psychotherapeuten zich mengen in het maatschappelijke debat, wellicht nu nog meer door corona?

‘Uiteraard is het zo dat als je voor de camera komt of als je voor de krant schrijft je goed gedocumenteerd moet zijn. Je mengen in het publieke debat is een harde wereld waarin je makkelijk kan worden getorpedeerd. Maar goed, het is zeker geen plicht.

Mijn boodschap is wel “meng je als therapeut vaker in het maatschappelijk debat”. Wij worden elke dag geconfronteerd met problemen van mensen, politici kennen onze patiënten niet. Dus spreek, therapeuten, wees de advocaat van de zwakkeren. Ook zo kun je bijdragen aan de menselijkheid. Laten we het daar vooral tijdens het aanstaande congres over hebben. En laten we vanachter onze schermen ook zo goed mogelijk contact proberen te maken!’

Wil je het congres op 13 oktober bijwonen?

Ook interessant voor jou