‘We leven in een overspannen maatschappij’

Interview met Paul Verhaeghe

4 februari 2020
 

Paul Verhaeghe

Onlangs verscheen Over normaliteit en andere afwijkingen van de Vlaamse psychotherapeut Paul Verhaeghe. Samen met psycholoog, auteur en journalist Vittorio Busato sprak de RINO Groep met hem over onder meer emancipatie, intimiteit, identiteiten, excelleren als het nieuwe normaal en de maatschappelijke verantwoordelijkheid van therapeuten. ‘Zinverlening is altijd collectief,’ zegt Verhaeghe. ‘Een psychotherapeut moet altijd het contextuele, sociale, maatschappelijke erbij betrekken.’

De Vlaamse psychotherapeut en klinisch psycholoog Paul Verhaeghe (1955) is een man met een missie. We spreken hem tijdens een lunch in Grand Café Restaurant 1e Klas op het Centraal Station van Amsterdam. Hij komt zojuist uit Groningen gereisd, de avond ervoor had hij daar een lezing gegeven naar aanleiding van zijn nieuwste boek: Over normaliteit en andere afwijkingen. Een pamflet is een beter woord, dit boek maakt deel uit van de filosofische reeks ‘Nieuw Licht’ en is beduidend anders van toon dan bijvoorbeeld zijn boeken Identiteit (2012) en Intimiteit (2018) die hem bij een zeer groot publiek bekend hebben gemaakt. Voor dit pamflet kreeg Verhaeghe de vraag voorgelegd of het proefschrift van de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984) De geschiedenis van de waanzin in de zeventiende en achttiende eeuw (1961), vandaag nog relevant is:  Is er nog een wereld denkbaar waarin we ons nog normaal kunnen wanen zonder etiket of diagnose?

Die ochtend heeft de kwiek en fit uitziende Verhaeghe bij het ontbijt in zijn Groningse hotel reeds een interview gegeven. Na ons gesprek staan er nog twee interviews gepland op zijn uitgeverij. En ’s avonds zal hij in debatcentrum De Balie in discussie gaan met psychiater Jim van Os – om aansluitend terug te keren naar zijn woonplaats Gent. De volgende dag moet hij weer naar zijn werk op de Universiteit Gent waaraan hij als voltijds hoogleraar Psychologie en Psychoanalyse is verbonden.

‘Omwille van de efficiëntie plan ik tijdens mijn bezoeken aan Nederland zoveel mogelijk activiteiten bij elkaar,’ lacht Verhaeghe op de constatering dat hij wel over een enorme drive moet beschikken. ‘En het schrijven van boeken beschouw ik als vakantiewerk.’

Geeft u zelf nog therapie?

‘Jazeker. Op de maandagen en zaterdagochtenden doe ik consultaties, en soms ook ’s avonds indien nodig. Ik ben opgeleid tot psychoanalyticus, maar doe geen klassieke analyses, zeker niet naar Nederlandse normen. Bij jullie zou ik denk ik psychoanalytisch psychotherapeut worden genoemd.’

'Mensen beginnen steeds meer te voelen dat er maatschappelijk iets niet klopt, dat ze echt niet alleen zelf schuldig zijn aan hun problemen.'

Paul Verhaeghe

Op 21 december jl. sprak u, samen met de psychiaters Damiaan Denys en Dirk de Wachter, in het kader van een bijeenkomst van The School of Life in een uitverkochte Stopera in Amsterdam, over onder meer psychisch falen en lijden en de huidige tijdgeest. Is er sprake van een Vlaamse School?

‘Dat is de perceptie in Nederland. Enerzijds verbaast het me dat we als trio worden neergezet, terwijl we toch verschillende insteken hanteren. Anderzijds begrijp ik het wel. In onze visie op de toename van psychologische en psychiatrische problemen en daaraan ten grondslag liggende maatschappelijke factoren delen we beslist iets gemeenschappelijks. En onze boodschap slaat aan, mensen herkennen er iets in. Zelf leg ik er vooral de nadruk op dat psychische problemen te zeer worden geïndividualiseerd. Dat schuurt. Mensen beginnen steeds meer te voelen dat er maatschappelijk iets niet klopt, dat ze echt niet alleen zelf schuldig zijn aan hun problemen. Tegelijkertijd neemt in de psychiatrie de farmacologisering flink toe, problemen moeten als het even kan met pilletjes worden opgelost. Maar steeds meer mensen beseffen dat je daarmee hooguit tijdelijk symptomen verlicht. Een pilletje alleen biedt nooit de oplossing, pakt de ware oorzaken niet aan.’

In uw boek Intimiteit stelt u dat, om intiem te kunnen zijn met iemand anders, we intiem met onszelf moeten kunnen zijn. We zouden volgens u vervreemd geraakt zijn van onszelf. Dat uit zich fysiek, maar ook in psychische en stress-gerelateerde ziektes zoals burn-out. Hoe is dat zo gekomen?

‘Het is moeilijk daar exact een datum op te plaatsen. Intimiteit met jezelf is niet iets vanzelfsprekends. Dat verwerf je in de vroege verhouding met je ouders, of niet. De katholiek-religieuze omgeving waarin ik opgroeide, leerde me dat het lichaam slecht was, zondig. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig van de vorige eeuw emancipeerde mijn generatie zich daarvan. In de jaren tachtig en negentig is alom de individualisering toegenomen. Je moest alles in je eentje kunnen, sociale klassen zouden niet meer bestaan, zelfs de maatschappij niet. “There is not such a thing as a society, there are only individual men and woman,” zei voormalig prime minister Margaret Thatcher. Dat neoliberale denken is steeds meer verbonden geraakt met een maakbaarheidsideaal dat ons voorschrijft dat we als een soort van nieuw normaal verplicht moeten excelleren. We moeten een perfect lichaam hebben, een perfecte baan, een perfecte relatie. Iedereen moet naar de gym, yoga, noem maar op. Als individu zijn we vervreemd geraakt van de ander en moeten we zorgen voor onze eigen zingeving, terwijl we bij uitstek sociale wezens zijn. Dat zorgt voor een heel ander soort vervreemding dan een religie die zegt dat het lichaam slecht en zondig is.’
 

Heeft u die vervreemding door de individualisering ook bij uzelf bespeurd?

‘Zelf heb ik veel meer last gehad van het loskomen van mijn katholiek-religieuze achtergrond dan van de vervreemding als gevolg van de toegenomen individualisering. Of dat loskomen destijds een bewuste individuele keuze was? Het is een illusie dat te denken. Alle processen zijn sociale processen, alleen beseffen we dat niet meer. Ik heb me geëmancipeerd in mijn puberteit. Toen deed vrijwel iedereen dat van mijn generatie en, heel belangrijk, van mijn opleidingsniveau. Voor mensen die niet het geluk hadden naar het gymnasium te gaan, was dat veel moeilijker.’


Zijn psychotherapeut en cliënt eveneens meer van elkaar vervreemd geraakt?

‘Intimiteit in de verstandhouding tussen therapeut en cliënt is te vergelijken met de ontwikkeling van het vertrouwen zoals we dat in het beste geval verwerven in ons contact als kind met onze ouders. Als dat vertrouwen er is, is er heel veel mogelijk. Op basis van onderzoek is bekend dat cliënten tegenwoordig een therapie veel meer starten op basis van wantrouwen. Psychotherapeuten worden allereerst uitgetest, zij hebben niet meer vanzelfsprekend de positie van deskundige die jou gaat helpen en bij wie je alles kwijt kunt. Zelf merk ik dat ook. Cliënten zijn meer afwachtend, zeker die met een traumatische voorgeschiedenis. Dat bemoeilijkt die intiem-psychische therapeutische verhouding. Recent onderzoek toont aan dat psychotherapie tegenwoordig minder effectief is dan vroeger omwille van dit fenomeen. Er is minder vertrouwen in de ander en dus ook in de therapeut.’

'Psychotherapeuten zijn fout bezig als ze zich uitsluitend toeleggen op het individu.'

Paul Verhaeghe

In Intimiteit schrijft u ook: ‘Onszelf leren kennen als deel van een groter geheel, samen met anderen, zal borg staan voor een betere zelfzorg die niet los gezien kan worden van zorg voor de ander.’

‘Ja, ik baseer me op de Griekse wijsgeer Aristoteles. Hij beschreef zelfzorg altijd in verhouding tot de ander en in verhouding tot de gemeenschap. Wie voor zichzelf zorgt, zorgt voor anderen. Aristoteles zou het idee van een louter individuele zelfzorg niet eens begrijpen. Individuele zinverlening is waanzin, psychotisch. Zinverlening is altijd collectief.’

Is dat de verantwoordelijkheid van psychotherapeuten: het stimuleren van zelfzorg en daarmee van collectieve zinverlening?

‘Waar ik me de afgelopen tien, vijftien jaar steeds bewuster van ben geworden, is dat psychotherapeuten fout bezig zijn als ze zich uitsluitend toeleggen op het individu. Een psychotherapeut moet altijd het contextuele, sociale, maatschappelijke erbij betrekken.’
 

Moeten psychotherapeuten, meer dan thans wellicht het geval is, kennis hebben van maatschappelijke ontwikkelingen, en zich ook bewust zijn met welke bril ze daarnaar kijken?

‘Vijf jaar geleden vroeg de Gentse faculteit psychologie of ik een nieuw verplicht vak wilde doceren: cultuur- en maatschappijkritiek, gekoppeld aan psychodiagnostiek en behandeling. Niet om mijzelf op de borst te kloppen, maar het is inmiddels een vak dat door studenten het hoogste wordt gewaardeerd. Ze zien plots een groter en breder plaatje, begrijpen meer. Van mijn Groningse collega’s begreep ik gisteren dat zo’n vak in Nederland niet wordt gedoceerd. Wat ook opvalt in Vlaanderen is dat veel jonge therapeuten, niet zelden oud-studenten van mij, zich organiseren in autonome netwerkstructuren waarin verschillende disciplines zijn vertegenwoordigd. Ze bieden cliënten een multidisciplinaire behandeling aan: een stuk gesprekstherapie, een stuk lichaamsgericht, een stuk sociaal. En dat kan per maand per cliënt weer anders zijn. Die ‘systeemloze’ manier van werken levert prima resultaten op. In België kennen wij geen zorgverzekeraars die voorschrijven hoe er gewerkt moet worden om een behandeling vergoed te krijgen. Mijn indruk is dat jullie in Nederland over-geregulariseerd zijn. Het grote nadeel van ons systeem is dan weer dat mensen psychotherapie zelf moeten betalen.’
 

Is een goede psychotherapeut tegenwoordig ook maatschappijfilosoof?

‘We moeten niet vervallen in de fout van de antipsychiatrie uit de jaren zestig. Veel therapeuten beschouwden hun cliënten destijds als slachtoffer van een boze maatschappij. Bij samen aan de klaagmuur staan is niemand gebaat. Maar als psychotherapeuten moeten we problemen van onze cliënten beslist in een maatschappelijke context plaatsen. We moeten nadrukkelijk onze stem laten horen bij de overheid, dat er iets moet veranderen aan de maatschappij. Het neoliberale denken kweekt psychiatrische patiënten bij de vleet, heb ik in een interview met Knack gezegd. En als het zo doorgaat, komen er alleen maar meer bij.’

'Heel veel medische en psychiatrische-psychologische problemen zijn tegenwoordig op stress terug te voeren.'

Paul Verhaeghe

Leven we in een overspannen maatschappij?

‘Overspannen is waarschijnlijk de beste term. Heel veel medische en psychiatrische-psychologische problemen zijn tegenwoordig op stress terug te voeren. Er zijn tevens aanwijzingen dat de toename van het aantal auto-immuunziektes met stress heeft te maken. Stress is een ruim begrip. Goede stress fungeert als aanjager. Maar negatieve stress, bijvoorbeeld in de vorm van opgefokte werkomstandigheden, is een sloper. Er is onderzoek dat laat zien dat mensen die voortdurend worden blootgesteld aan lawaai systematisch hogere cortisolniveaus hebben. Dat is zeer ongezond. Een teveel aan prikkels zet zich op ons lichaam, die prikkels branden lichaamssystemen op een gegeven moment als zekeringen door. Dat kan resulteren in somatische klachten, het kan zich ook psychiatrisch uiten in angst- en stemmingsstoornissen. Of in combinaties daarvan. Er is een fascinerend nieuw vakgebied dat zich hiermee bezighoudt: de psycho-neuro-endocrino-immunologie.’

Kan, cru gezegd, stress de samenleving gaan uitroeien? Zorgt de omgang met stress voor een soort van survival of the mental fittest?

‘Laat me een eenvoudig voorbeeld uit experimenteel onderzoek geven. Bij dertig jonge, gezonde volwassenen werd via een bloedprik het cortisolniveau bepaald, een indicatie van iemands stressniveau. De onderzoekers brachten bij de deelnemers met een pipetje vijf verschillende verkoudheidsvirussen in de neusholtes. Wat bleek? Mensen met de hoogste cortisolniveaus lopen de meeste kans op een verkoudheid. Hetzelfde met wondgenezing. Een aangebracht wondje op de onderarm geneest bij mensen met een hoog cortisolniveau minder snel dan bij mensen met minder hoge cortisolniveaus. Er is een vaststaand verband tussen een te hoog stressniveau en allerlei problemen. We bevinden ons voortdurend in stressvolle omgevingen, maar we lijken dat niet meer te beseffen. Wie gestrest is op of door zijn werk, geeft dat ook door naar collega’s. Stilstaan, letterlijk en figuurlijk, bij kleine dingen, bij goed doen voor anderen en niet alleen aan jezelf denken is zo belangrijk.’
 

Voor uw pamflet Over normaliteit en andere afwijkingen kreeg u de vraag of er nog een wereld denkbaar is waarin we ons nog normaal kunnen wanen zonder etiket of diagnose. Is zo’n wereld nog mogelijk?

‘Ook dit moet je in groter verband zien. In West-Europa is er nogal een probleem op het vlak van identiteit. Identiteit is een sociaalpsychologische constructie die we al opgroeiend verwerven. Traditioneel was onze identiteit redelijk uniform. We leefden in stabiele, vaak starre maatschappijen, religie domineerde de politieke ideologie. Van een vrouw in de jaren zestig lag de identiteit vast. Vanaf de jaren tachtig en negentig is de mondialisering enorm toegenomen en is de verzuiling weggevallen. Sindsdien hebben we veel meer mogelijkheden om identiteiten te construeren en te kiezen, en dat al heel vroeg. Mensen die opgroeien in een stabiele omgeving zijn dan in het voordeel; voor mensen die in veel minder stabiele omgevingen opgroeien, zijn die ontwikkelingen zeer bedreigend en verwarrend. Onze identiteit is fragmentarisch: wie ben je als man, als vrouw, als professional. Voor velen zijn dat tegenwoordig moeilijk te beantwoorden vragen, met allerlei psychosociale problemen tot gevolg, zeker in combinatie met de verplichting tot excelleren. Merkwaardig genoeg kan een psychopathologisch etiketje dan weer een basis vormen voor een nieuwe identiteit.’
 

In uw pamflet stelt u dat psychiatrie draait om disciplinering. ‘Hoe wetenschappelijker de psychiater of de psychotherapeut wordt,’ schrijft u, ‘des te meer gaat hij te werk als een morele autoriteit die zijn patiënten dwingt in de richting van sociale aanpassing.’ Moet dat worden doorbroken?

‘Dat is de stelling van Foucault die ik uitgebreid heb naar de psychotherapie. Doorbreken is niet per definitie noodzakelijk, maar we moeten ons er wel bewust van zijn. De psychiatrie is historisch ontstaan als bescherming van de maatschappelijke orde: de groep moet beschermd worden tegen het gevaar van het individu. Daar is later de zorg voor het individu bijgekomen, ter bescherming van zichzelf. Geneeskunde en psychiatrie richten zich op ziekten, psychotherapie richt zich op de rede en het herstellen daarvan. Freud zei dat we verdrongen inhouden bewust moeten maken om onze verdrongen verlangens en driften te kunnen veroordelen. Iets vergelijkbaars gebeurt in cognitieve gedragstherapie: foute cognities moeten worden vervangen door juiste. Is dat verkeerd? Het wordt vooral gevaarlijk als we de bedoeling niet meer beseffen, en bijgevolg voorbijgaan aan het feit dat we sociale criteria hanteren. Welk bewijs is er voor psychiatrische ziekten? Influenza is een ziekte, maar ADHD? Criteria in de DSM voor diagnoses zijn zonder uitzondering sociaal-normerend. Geen probleem, mits je erover kunt discussiëren. We moeten de vraag kunnen stellen wie wij letterlijk een normaal persoon vinden en wie niet. Vergeet niet dat homoseksualiteit tot diep in de jaren zeventig als een psychiatrische ziekte werd beschouwd.’

'Criteria in de DSM voor diagnoses zijn zonder uitzondering sociaal-normerend.'

Paul Verhaeghe

Waar komt die behoefte aan categorisering vandaan?

‘We zijn groepsdieren. Je moet tot een groep behoren, en dat betekent dat je je op een bepaalde manier moet conformeren aan die groep. Wie te veel afwijkt, vormt een bedreiging van de groepscohesie.’

U eindigt uw pamflet met een flink fragment uit Foucault’s proefschrift. Met name deze zin valt op: ‘Hoe meer invloed het positivisme krijgt op de medische wetenschap in het algemeen en de psychiatrie in het bijzonder, des te duisterder wordt het praktische optreden van de arts en des te wonderbaarlijker de macht van de psychiater.’

‘Het zal geen verbazing wekken dat ik dat zeer onderschrijf.’
 

Hoe staat u tegenover de populariteit van neurobiologisch onderzoek?

‘Dubbel. Over de identificatie van de psychologie met het natuurwetenschappelijke ideaal, over de reductie van het psychologische tot iets neurobiologisch, ben ik niet enthousiast. Wel enthousiast ben ik over het idee dat we het biopsychosociale model echt ernstig moeten nemen. Wie de mens alleen biologisch, alleen psychologisch of alleen sociaal beschouwt, mist heel veel. Dat is zo vanzelfsprekend, vreemd dat we dat niet veel eerder door hebben gehad.’
 

Hoe ziet uw ideale maatschappij eruit?

‘Heel veel psychologische benaderingen en scholen hebben op één punt ongeveer dezelfde opvatting. Dat is het belang van de vroege kindertijd, pakweg onze eerste tien levensjaren. Een ideale maatschappij voor mij is een maatschappij die kinderen in staat stelt op te groeien in een rustige omgeving, waarin ze zich op een normale manier kunnen ontwikkelen. Als we dat voor elkaar krijgen, komt de rest vanzelf. Ook economisch is dat gunstig, want op de lange termijn levert zo’n veilige manier van opgroeien heel veel minder problemen en dus kosten op voor de maatschappij.’
 

Ter afsluiting: voelt u zich het meest therapeut, schrijver, wellicht een soort prediker, maatschappijfilosoof of zelfs maatschappijhervormer?

‘Mooi om met een vraag over identiteit te eindigen. Identiteit is voor mij een redelijk vloeibaar begrip, dat ook is gekoppeld aan bepaalde leeftijdsfases. Deze vraag had ik twintig jaar geleden vermoedelijk beantwoord met dat ik allereerst vader ben – mijn kinderen waren toen nog klein. In bepaalde periodes was ik weer meer therapeut of onderzoeker. Nu ben ik veel meer maatschappij-filosofisch bezig, maar dat sluit andere identiteiten niet uit. Als ervaren psychotherapeut en hoogleraar die bijna met emeritaat gaat, is het mijn verantwoordelijkheid me over maatschappelijke ontwikkelingen in relatie tot psychopathologie publiek te uiten. Ik citeer graag de Poolse socioloog Zygmunt Bauman: “Nooit waren we zo vrij. Nooit hebben we ons zo machteloos gevoeld.” Gelukkiger worden we niet van die paradox, eerder aangeleerd hulpeloos. Het is de hoogste tijd dat we ons daar als psychotherapeuten over uitspreken en daar ook iets aan doen.’