‘Het zou mooi zijn als meer psychologen zich verdiepen in neurobiologische ontwikkelingsstoornissen’

Interview met Anja Roubos

6 juni 2024
 

Anja Roubos

‘De term ‘syndroom’ wordt vaak geassocieerd met ‘niet-normaal’. Daarom moeten we goed uitleggen wat dit woord betekent. Om te voorkomen dat patiënten of hun naasten zichzelf van alles verwijten.’ Anja Roubos is klinisch neuropsycholoog en deelnemer aan de Topklas. Ze doet onderzoek naar neuropsychologische fenotypering van syndromen, speciaal genetische ontwikkelingsstoornissen (neurodevelopmental disorders, NDD’s), waaronder het Prader-Willi syndroom, Neurofibromatose type I en 16p11.2 microdeletiesyndroom.

‘Aan patiënten vertel ik dat een genetisch syndroom betekent dat er een verzameling van kenmerken is die bij elkaar horen en op elkaar inwerken, als gevolg van een klein aangeboren verschil in de lichaamscellen,’ vertelt Roubos. ‘Dit kunnen lichamelijke kenmerken zijn en kenmerken in het cognitief en psychologisch functioneren. Artsen, Gz-psychologen en andere zorgverleners moeten daar goed kennis van nemen, want voor de patiënt is het belangrijk dat je die kenmerken in samenhang beschouwt. Dat optimaliseert de zorg voor de patiënt en het beeld dat hij of zij heeft over zichzelf. Hiermee zeggen we eigenlijk: Het is niet jouw schuld!’

Genetisch syndroom is onomkeerbaar

Roubos: ‘Een genetisch syndroom is onomkeerbaar en dus niet ‘te genezen’. Mijn taak als specialist is om mezelf enerzijds grondig te verdiepen in zo’n syndroom en anderzijds te voorkomen dat patiënt en syndroom te veel met elkaar worden geïdentificeerd. Mijn streven is de patiënt als mens te ontmoeten en te helpen om de verschijnselen bij diens genetische variatie in zijn of haar leven – en in dat van diens naasten – te verweven.’
Roubos is na een eerdere studie bestuurskunde en een succesvolle loopbaan in die richting een tweede carrière begonnen. Dit vanuit een persoonlijke gedrevenheid om meer te betekenen voor kwetsbare mensen. Roubos: ‘Na het behalen van m’n masterdiploma psychologie ben ik ertoe verleid – zo voel ik dat – om mezelf te verbinden aan het Topklas-traject, dat bestaat uit de combinatie van opleiding en wetenschappelijk onderzoek in de patiëntenzorg. Nog elke dag ben ik dankbaar voor deze uitdaging en voor het vertrouwen dat in mij is gesteld.’
 

‘Onze opdracht is ook om onze kennis te verbinden aan andere disciplines die zorg verlenen aan deze patiënten’

Anja Roubos

Kennis delen met andere disciplines

Haar constante basis in dit traject vindt Roubos in het Centrum voor Neuropsychiatrie van Vincent van Gogh. Dit centrum richt zich op genetische ontwikkelingsaandoeningen bij mensen van alle leeftijden en betrekt daar hun naasten en verzorgers bij. ‘Onze opdracht is ook om onze kennis te verbinden aan andere disciplines die zorg verlenen aan deze patiënten’, licht Roubos toe. ‘Er was al een langere samenwerking met de afdeling Genetica van het Radboudumc Nijmegen. Ik ben destijds gevraagd te helpen om onze buitenpoli’s ‘genetica en neuropsychologie/-psychiatrie’ bij het Erasmus MC en in Maastricht UMC+ op te zetten. Daarbij kon ik mijn bestuurskundige achtergrond goed benutten.’

Zintuiglijke informatieverwerking

Roubos onderzoekt hoe de DNA-veranderingen tot uitdrukking komen in denken, voelen en doen, in relatie tot de context. Als klinisch neuropsycholoog kijkt ze op welke manier een genotype via informatieverwerkingsfuncties van het zenuwstelsel (het brein) tot uitdrukking komt in gedrag en persoonlijk functioneren.

‘Uit mijn onderzoek naar het Prader-Willi syndroom blijkt dat kenmerken in de verwerking van zintuiglijke informatie samenhangen met verminderd intellectueel functioneren en moeilijkheden in gedrag. Spierslapte en motorische beperkingen hinderen de ‘doorvoer’ van binnenkomende zintuiglijke informatie, veel meer dan bij mensen zonder het Prader-Willi syndroom. Hun gedragingen – die door de omgeving helaas vaak worden opgevat als boosheid, rigiditeit, agressie – vallen hierdoor meer rechtstreeks samen met emoties. De onderzoeksresultaten nodigen uit om bij elk individu onder het oppervlak van waarneembaar gedrag te kijken en de basale functies van de informatieverwerking te leren kennen.’

Omgekeerd kijken en optie syndroom onderzoeken

‘Bij verstandelijke beperking is in ongeveer de helft van de gevallen sprake van een onderliggend syndroom. Soms vermoeden we bij het fenotype - hoe iemand eruitziet en hoe iemand functioneert - van een patiënt een genotype dat niet eerder bij die persoon is overwogen of vastgesteld. Dan zien we een verzameling kenmerken die duiden op een erfelijk syndroom. Een mooi voorbeeld daarvan is een patiënte die een 16p11.2 microdeletie bleek te hebben. Dat ontdekten we door multidisciplinair samen te werken. Ons artikel hierover is gepubliceerd in het Journal for hypertension. Het is een uitnodiging aan dokters om bij moeilijk behandelbare klachten ook omgekeerd te kijken en de optie van een syndroom te onderzoeken.’

Roubos vindt het ook belangrijk dat vakgenoten de mogelijkheid van genetische betrokkenheid vaker meewegen. ‘Het zou mooi zijn als meer psychologen zich verdiepen in neurobiologische ontwikkelingsstoornissen. Mijn oproep is ook: Kijk voorbij je eigen instrumentarium en durf samen met andere disciplines aan hypothesevorming te doen. Juist in de Topklas ervaar ik die samenwerking met verschillende specialisaties en organisaties. Dat is zo prikkelend en stimulerend!’