blog
24 april 2017

De verkeerde kaart

Petra Schaftenaar blogt over een bijzondere ervaring tijdens haar promotieonderzoek.

Mijn werk bracht me vandaag naar een van de grote steden van Nederland. Naar een wijk die ooit de wederopbouw van Nederland representeerde, maar nu een achterstandsbuurt is geworden. De straten breed, de huizen en portiekflats te klein. Slordige raambekleding bedekt de grote ramen en het leed wat daarachter schuil gaat. In voortuintjes een wildgroei van onkruid, paardenbloemen en een enkele verdwaalde ribes.
 
Ik was te vroeg en zag hoe er nog net voor mijn komst een stofzuiger door de kamer getrokken werd. Een gebaar wat even zorgend als onnodig was, bleek toen ik enthousiast binnenstapte bij deze voor mij onbekende man. De deur ging nauwelijks open door een fiets die in de weg stond en twee tuinkussens lagen op de grond in de gang. De keuken, slechts één stap verder, was een verzameling van vuile potten en pannen, een volledig aangekoekte maaltijd op het fornuis en vuilniszakken op de grond. Tegen de keukendeur had een klimop zijn weg naar binnen gevonden.
 
In de woonkamer was het weinig beter. Hier was in geen tijden bezoek ontvangen. Vanaf de plek op de bank waar ik plaatsnam had ik zicht op het slaapvertrek. Een onopgemaakt bed, de inhoud van een volledige kledingkast over de vloer en een dekbed dat nog op dezelfde plek lag als waar het uren eerder opengeslagen was. Het was 11 uur in de ochtend en ik telde vier open bierblikken binnen handbereik. Hij zette voor mij koffie. Met verse bonen, hand gemaald.  Een pindakaaspotje diende als koffiepot. Filter erop, geen probleem. Hij dronk bier. Als sinds hij om 04:00 uur vannacht wakker werd, vertelde hij. In de twee uur dat ik bij hem was, gingen er nog drie blikken open.
 
Ik sprak met hem over zijn leven. Ooit begon het wat we ‘veelbelovend’ zouden noemen. Propedeuse HBO, weldenkend. Hij vertelde me over bijna twee decennia in de zorg, over hoe hij voelde niet mee te tellen. Hij had, zo zei hij, de verkeerde kaart uit het kaartspel van het leven getrokken en hij kwam er niet meer vanaf. De leegte nu was groot. Te groot. En drank was op dit moment de enige manier om die leegte op te vullen.
 
Toen ik wegging, bracht hij me naar de tram. ‘Zal ik met je meelopen? Dit is een gevaarlijke buurt.’ Dat ik ook alleen was komen lopen, deed niet ter zake. Onderweg plukte hij een uitgebloeide paardenbloem voor me en vroeg naar mijn onderzoek. Waar ik dan precies in promoveerde? Wat wilde ik bereiken met dit werk? En welk vakgebied? ‘Ik ga je helpen, meisje’, besloot hij -acht jaar jonger dan ik.
 
Het leek alsof hij niet wilde dat ik weg ging. Bij het afscheid nam ik zijn uitgestoken hand in mijn twee handen en bedankte ik hem. Hij verontschuldigde zich. Voor alles, zo leek het. Hij had meer voor me willen doen. Hij wachtte tot mijn tram vertrok en zwaaide naar me.
 
Bedrukt en aangedaan ging ik naar huis. Ik voelde, overweldigend, dat ik de volgende ben die niet kan bieden wat hij nodig heeft. Ook ik ben de falende samenleving: door het te aanschouwen en geen antwoord te hebben. En ik realiseerde me dat ik eerlijk gezegd ook niet zou weten wat hier beter helpt dan drank.

Petra Schaftenaar
April 2017

Petra Schaftenaar

Petra Schaftenaar

Hoofdopleider forensische psychiatrie